Gewone vlier

De gewone vlier(Sambucus nigra) behoord tot de muskuskruidfamilie (Adoxaceae). Het is een inheemse soort. Wilde exemplaren zijn vooral te vinden in heggen, lichte bossen en kapvlakten en op braakliggende terreinen. Maar hij wordt ook veel aangeplant. Naast de gewone vlier komt je in Nederland ook nog de trosvlier (Sambucus racemosa) voor. Deze verschilt van de gewone vlier in de opstaande, eivormige bloempluimen en de rode, niet zwart verkleurende, bessen. Bovendien bloeit deze soort weken eerder dan de gewone vlier. De groeiwijze van de gewone vlier is meestal struikvormig. Hij wordt 5-9 meter hoog en heeft een leeftijdsverwachting van 60-100 jaar. Op dood hout van oude exemplaren is in de winter regelmatig Judasoor te vinden, een eetbare en smakelijke paddenstoel. De soort kent verschillende cultivars die verschillen in bladkleur en bladvorm.

 

Bloeiwijze

foto links: bloemen; foto rechts: vruchten

Gewone vlier bloeit in mei-juni. De bloeiwijze bestaat uit vlakke, tuilvormige schermen aan het eind van de twijgen. In de bloeiperiode staan de schermen rechtop maar in de vruchtperiode gaan ze hangen. De bloemen zijn talrijk. Ze zijn 5-7 millimeter groot en verspreiden een typische geur die meestal als onaangenaam wordt ervaren. De bloemen worden bestoven door insecten en vormen een belangrijke nectar- en stuifmeelbron. De bloemkroon bestaat uit vijf aan de voet vergroeide, wit of geelwitte kroonblaadjes die stervormig uitstaan. Er zijn vijf meeldraden met gele helmknoppen. Het vruchtbeginsel heeft 1 of geen stijl. Na de bloei vormen zich 6-8 millimeter grote steenvruchten. Jong zijn ze rood maar rijp zijn ze zwart. Aan de top van de vruchten zitten kleine kelkrestjes (het kroontje). Het vruchtsap is paarsrood. De vruchten zijn eetbaar maar smaken wel zuur. 

 

Waar te zien
De gewone vlier is een algemeen voorkomende soort. Wilde exemplaren vindt je vooral in struikgewas en op braakliggende terreinen. Maar de soort is ook veel aangeplant in parken, groenstroken en tuinen.

Foto: gewone vlier (Sambucus nigra) in het Cobbenhagenpark aan de Professor Cobbenhagenlaan