Perzische eik

De Perzische eik of Kaukasische eik (Quercus macranthera) komt oorspronkelijk uit de Kaukasus en Perzië. Daar groeit hij in gemengde bossen in het hooggebergte tot 2500 meter. Hij is rond 1874 in West-Europa geïntroduceerd. De Perzische eik wordt 20-25 meter, soms tot 30 meter hoog. De kroon is breed, rond en bolvormig. De stam is relatief laag en vertakt al snel. De schors is ruw, gegroefd, jong zilverkleurig maar later donker bruingrijs. De twijgen zijn dik, roodbruin en dicht wollig behaard (vooral aan het uiteinde). De soort wordt meestal ge-ent op een onderstam van de zomereik en heeft geen last van meeldauw.


Bladkenmerken
De bladeren zijn omgekeerd eirond, 7-16(-22) centimeter lang en 5-14 centimeter breed. Ze hebben 8-10 paar lobben. Ze lijken wel wat op de bladeren van de Hongaarse eik maar missen de kenmerkende oorvormige lobben bij de bladsteel. De lobben zijn ondiep ingesneden, stomp, en naar de top toe kleiner wordend. De bladbovenzijde is donkergoen en enigszins ruw. De bladonderzijde is grijsviltig. De bladsteel is 0,5-1,5 centimeter lang, met blijvende, wollig behaarde steunblaadjes.

 Foto links: bovenzijde blad; foto rechts: onderzijde blad

Vruchtkenmerken
De eikels zijn langwerpig, ongeveer 2 centimeter lang, en staan met 1-4 bijeen. Het napje is met grote, aangedrukte schubben bezet en bedekt de vrucht voor 1/3 tot de helft.

Cultivars
Voor zover wij weten kent de Perzische eik geen cultivars.

Waar te zien
De Perzische eik wordt niet vaak aangeplant, meestal in parken. Zo staan er exemplaren in het Quirijnstokpark en Westerpark. Er staan ook een aantal exemplaren in de groenzone achter de flats aan de Europalaan  / Linatestraat, parallel aan de Taxandriëbaan.

Foto: Perzische eik (Quercus macranthera) achter de flats aan de Europalaan / Linatestraat.