Tweekleurige eik

De tweekleurige eik (Quercus bicolor) komt oorspronkelijk uit het Noordoostelijk deel van de VS en is omstreeks 1800 in West-Europa ingevoerd. Hij kan een hoogte bereiken van 14-20 meter. De Nederlandse en wetenschappelijk naam verwijst naar de verschillende kleur van de bladbovenzijde (groen) en bladonderzijde (grijzig). De kroon is breed eirond. De schors is geschubd en grijsbruin. Bij oudere exemplaren schilfert de schors in langwerpige platen af. Jonge twijgen zijn dicht behaard maar worden later kaal. Ze zijn glad, lichtbruin en hebben vele lenticellen. De soort maakt veel waterlot aan dat meestal na 1 jaar afsterft en lang als dood hout in de boom blijft zitten.

 

Bladkenmerken
De bladeren zijn omgekeerd eirond, 10-20 centimeter lang en 4-10 centimeter breed en sterk variabel van vorm. De bladrand is regelmatig gelobd met 6-10 paar stompe, ondiepe lobben. De lobben bevinden zich vooral in het bovenste 2/3 deel van de bladschijf. De bovenzijde is glanzend groen. De onderzijde is grijsviltig en voelt fluweelachtig zacht aan. Er zijn 6-10 paar nerven. De bladvoet is wigvormig. De bladsteel is 1-2 centimeter lang, met afvallende steunblaadjes. Tijdens een zonnige herfst verkleuren de bladeren naar oranjerood.

Foto links: bovenzijde blad; foto rechts: onderzijde blad

Vruchtkenmerken
De eikels zijn 2-3 centimeter lang, langwerpig en lang gesteeld. Ze bevinden zich meestal in paren. Het napje is met kleine schubben bezet en bedekt de vrucht voor 1/5 tot 1/3 van zijn lengte. De eikels rijpen in het 1e jaar af.

Cultivars
Bij ons zijn geen cultivars van de tweekleurige eik bekend.

Waar te zien
De tweekleurige eik wordt maar zelden aangeplant. Er staan een tweetal exemplaren bij elkaar in het Leijpark.  In 2015 is er ook een exemplaar aangeplant op de hoek Piusstraat / Heikestraat.

Foto: tweekleurige eik (Quercus bicolor) in het Leijpark