Wintereik

De wintereik (Quercus petraea) is samen met de zomereik een van de twee inheemse eikensoorten. Zijn natuurlijk verspreidingsgebied reikt van Europa tot aan de Kaukasus en Turkije. Ondanks zijn inheemse status komen wintereiken nauwelijks in onze bossen voor. Vanwege hun lagere vruchtopbrengst werden ze in vorige eeuwen minder gezaaid en geplant. Wilde bospopulaties beperken zich met name tot de heuvelgebieden in Zuid-Limburg en stuwwallen in de Achterhoek. Het merendeel van de exemplaren zijn aangeplant. De Nederlandse naam stamt uit de tijd dat er een onderscheid werd gemaakt tussen eiken waarbij in de winter het bruine blad wel of niet aan de boom bleef hangen. De wintereik heeft dat meer dan de zomereik. Wintereiken worden 28-33 meter hoog. De kroon is eerst breed eirond, later rond, dicht en zwaar vertakt, en meer regelmatig van vorm dan de kroon van de zomereik. De schors is grijspaars tot grijsbruin, blijft lang glad maar krijgt later ondiepe groeven. De takken staan regelmatig af en zijn donker grijsgroen. De twijgen zijn groenbruin en kaal. De bijdrage van de wintereik aan de biodiversiteit is groot en vergelijkbaar met de zomereik. Omdat de wintereik in de zomer minder vaak een tweede of derde groeischeut aanmaakt heeft hij minder last van meeldauw dan de zomereik.


Bladkenmerken
De bladeren zijn eirond en 7-12 centimeter lang. De grootste breedte bevindt zich boven het midden van het blad. Ze zijn regelmatiger gelobd dan het blad van de zomereik en hebben 5-7(-9) paar lobben die meestal dieper van 1/3 van de bladbreedte zijn ingesneden. De lobben zijn stomp en ongenaald. De bladbovenzijde is glanzend groen, de onderzijde meer blauwgroen en vooral op de nerven bezet met sterharen. De middennerf is soms geel, vooral in de nazomer. De bladen zijn duidelijk gesteeld. De bladsteel is 10-25 mm lang met afvallende steunblaadjes. Tijdens de herfst verkleuren de bladeren geelbruin tot oranjebruin.

Foto links: bovenzijde blad; foto rechts: onderzijde blad

Vruchtkenmerken
De eikels zijn 2-2,5 centimeter lang en zitten met 3-7 bijeen. Ze zijn ongesteeld of zitten gezamenlijk aan een kort steeltje. Het napje is met aanliggende schubben bezet, kaal, en bedekt de vrucht voor 1/4 tot 1/3. Ze rijpen in 1 zomer af.

Cultivars
De wintereik kent verschillende cultivars die verschillen in bladvorm, bladkleur en groeiwijze. Purpurea heeft bruine bladeren,. Cultivars als 'Eastcolumn' en 'Columna' zijn zuilvormig. De cultivar 'Mespilifolia' heeft smalle, niet ingesneden bladeren.

Waar te zien
De wintereik is een matig voorkomende soort. Ze staan met name in parken. Er staan onder andere exemplaren in het Leijpark en Von Weberpark. De dikste wintereik van Tilburg (en behorende tot de dikste vijf van Nederland) is te zien op het Korvelplein. Hij stond foutief genoteerd als een ander soort eik. Determinatie op ons verzoek door de landelijke Bomenstichting en later arboretum Trompenburg wees uit dat het om een wintereik ging! Hij staat op de Gemeentelijke Lijst Monumentale bomen onder boomnummer 03.40.025.0679 en heeft een stamomtrek van 4,4 meter. Ook is de boom opgenomen in het Register Monumentale bomen van de landelijke Bomenstichting Amsterdam

Foto: Wintereik (Quercus petraea) op het Korvelplein