Zomereik

De Zomereik (Quercus robur) is samen met de wintereik een van de twee inheemse eikensoorten. Zijn natuurlijk verspreidingsgebied reikt van Europa tot aan de Kaukasus en Turkije. Het is, samen met de Amerikaanse eik, de eikensoort die we in onze bossen tegenkomen. De Nederlandse naam stamt uit de tijd dat er een onderscheid werd gemaakt tussen eiken waarbij in de winter het bruine blad wel of niet aan de boom bleef hangen. De zomereik heeft dat minder dan de wintereik. Zomereiken worden 35-40 meter hoog. De kroon is open, breed, rond en min of meer onregelmatig. De stam splitst zich in de kroon in enkele zware takken. De schors is lichtgrijs tot donkerbruin en diep gegroefd. De twijgen zijn roodbruin en kaal.
De bijdrage aan de biodiversiteit van de zomereik is groot. Duizenden organismen zijn deels of geheel afhankelijk van de zomereik. Er komen dan ook veel aantastingen voor. In het voorjaar kunnen de rupsen van wintervlinders en bladrollers de boom bijna geheel kaal vreten. In een natte zomer kan meeldauw de bladeren met een witte poederlaag bedekken. De eikenprachtkever is vaak verantwoordelijk voor het afsterven van volwassen exemplaren terwijl de eikenspintkever juist jonge verzwakte exemplaren aantast.


Bladkenmerken
De bladeren zijn eirond en 5-14 centimeter lang en zitten vooral tegen het einde van de twijgen dicht opeen. Ze zijn variabel van vorm met de grootste breedte boven het midden. Ze hebben 3-5(-7) paar lobben die meestal dieper van 1/3 van de bladbreedte zijn ingesneden. De lobben zijn stomp en ongenaald. De bladbovenzijde is dofgroen, de onderzijde meer blauwgroen en (nagenoeg) kaal. De bladen zijn ongesteeld of hebben een korte steel meestal 2-5 millimeter lang) en hebben afvallende steunblaadjes. Tijdens de herfst verkleuren de bladeren geelbruin tot oranjebruin.

 

Foto links: bovenzijde blad; foto rechts: onderzijde blad


Vruchtkenmerken
De eikel is 1,5-2,5 centimeter lang en langwerpig eivormig. Ze staan met 1-5 bijeen aan een 2-5 centimeter lange steel. Jonge vruchten hebben overlangse strepen. Het napje is met aanliggende, fijn behaarde schubben bezet en bedekt de vrucht voor hooguit 1/3. Ze rijpen in 1 jaar af.

Cultivars
De zomereik kent een groot aantal cultivars die verschillen in bladkleur, bladvorm en groeivorm. Er zijn cultivars met diep ingesneden bladeren (Filicifolia) en met nauwelijks ingesneden bladeren (Salicifolia), cultivars met bruine bladeren (Atropurperea), met wit gemarmerde of gevlekte bladeren (Albomarmorata, Argenteovarroegate) of met heldergele bladeren (Concordia). Er zijn zijn zuilvormen (Fastigiata, Fastigiate Koster) en treurvormen (Pendula).

Foto: zuilvormige zomereiken in het Leijpark.


Waar te zien
De zomereik is een zeer algemeen voorkomende soort. Ze staan in (park)bossen, parken en de bredere groenvoorzieningen. Maar ook laanaanplantingen komen voor, vooral langs de bredere wegen, bijvoorbeeld langs de Bredaseweg. Zuilvorige cultivars worden ook wel in straten aangeplant. Maar dat gebeurd minder vaak omdat zomereiken bestrating maar matig verdragen. Een treurvorm (Quercus robur 'Pendula') is te zien in het Kromhoutpark.

Foto: laanbeplanting van zomereik aan de Bredaseweg.